No Service Fees - Reds Tickets The Official site of the Yankees Tickets

Zoeken

Font Size

Zoeken/Font

De burgermeester aan lager wal (1868)

Van 1845 tot 1868 was Frans Johannes Tollens, een zoon van de dichter Hendrik Tollens, burgemeester van Bleiswijk en Moerkapelle. Aanvankelijk leek alles in zijn functioneren wel naar wens te verlopen. Probleemloos werd hij een aantal malen herbenoemd tot burgemeester. Maar van 1865 ging het sterk bergafwaarts met hem. In 1868 was het weer tijd voor zijn herbenoeming, maar bij de Commissaris des Konings waren klachten ter ore gekomen over het functioneren van Tollens, waar hij meer van wilde weten.

Vertrouwelijk liet hij brieven uitgaan naar de burgemeesters van Zevenhuizen, Waddinxveen en Berkel. Er waren geruchten dat Tollens zich "herhaaldelijk schuldig maakte aan misbruik van sterke drank", waardoor hij alle gezag onder de Bleiswijkse bevolking heeft verloren. De wethouders zouden in zijn wangedrag berusten omdat zij hierdoor vrij spel kregen in het besturen van de gemeente. Het administratieve gedeelte werd uitsluitend overgelaten aan secretaris Cornelis van der Plas. Brieven, gericht aan de burgemeester, bleven maandenlang onbeantwoord.

Overigens werden de burgemeesters van Bergschenhoek en Hillegersberg niet aangeschreven omdat deze "liever praatjes opneemt dan zelf onderzoekt en hoegenaamd geen begrip van delicatesse heeft". Burgemeester Nederveen van Zevenhuizen schreef op 16 oktober 1868 dat Tollens inderdaad aan sterke drank te buiten gaat waardoor "geen achting ... en mist alle ontzag". Volgens Nederveen was wethouder Leendert Breugem hem niet ongenegen, terwijl wethouder Huibert Uitdenbogerd hem veel minder hoog had staan. Ook schreef hij dat de voormalige wethouder van Moerkapelle (Valkenburg) "vele grieven tegen het hoofd der gemeente" had.

Meer details wist burgemeester Le Fevre de Montigny van Berkel te melden (18 oktober 1868). Ook hij bevestigde de drankzucht van Tollens "in deze streek zeer bekend". Volgens de schrijver is hem meermalen verzekerd dat "te Bleiswijk ieder baas is en de burgemeester er niets te zeggen heeft". De beide wethouders vonden het volgens hem wel prima zo en werden zelfs, naar men zegt, "'s avonds met de burgemeester in de herberg aangetroffen". Onderwijl leidde Cornelis van der Plas op eigen houtje de gemeentezaken. Steeds  meer wendden de inwoners zich tot hem over diverse aangelegenheden. Over Tollens zegt hij: "ik begrijp niet hoe hij het zo lang houdt, als hij Plas niet had, was hij al lang weg". Le Fevre de Montigny had slechts enkele malen persoonlijk contact met Tollens, maar was ook weer blij als hij weer van hem af was, "aangezien zijn vreemd toilet en opgewonden wijze van zijn, hem zeer in het oog deden vallen". Een typerend voorbeeld was zijn gedrag tijdens de grote brand in de boerderij van Leendert Breugem die van 5 tot 8 augustus 1868 woedde. Bij deze brand gingen de stallen en de hooibergen volledig verloren. De gehele mannelijke bevolking werd bij het blussen ingeschakeld (en later ook voor uitbetaald). Assistentie werd verleend door de brandspuiten van Moerkapelle, Berkel en Bergschenhoek. De Berkelse burgemeester kwam ook persoonlijk poolshoogte nemen. Daar zag hij zijn Bleiswijkse ambtgenoot terug. Tollens zag er zeer slordig uit, was "apres boire, de man maakte zooveel beweging, dat ik mij haastte om van hem ontslagen te worden". Het viel hem op dat niemand hem groette of beleefd tegen hem deed. De oorzaak van de brand bij Breugem was hooibroei "doch dat de burgemeester tengevolge van de dreigementen van de eigenaar, dezelve niet durfde te laten roeren".  Ook de brandspuiten waren volgens hem in slechte staat. Zijn veldwachter, Kochlik, zag Tollens met een "roode steenen pan vol bier" op de weg slepen, in de richting van de brandmeester. Later scheen Tollens met hem in de herberg te zijn gedoken. Het volk zeide: "hij neemt de brandmeester net zoo lang mee, tot ze hem meenemen".

De Berkelse veldwachter ging zelf bij de herberg van Johannes van Amstel langs, waar bevestigd werd dat Tollens daar tot de vaste stamgasten behoorde. Hij kreeg daar ook het volgende voorval te horen. In dezelfde herberg werd een wedstrijdje biljaren belegd. De verliezer moest 24 flessen wijn betalen. Tollens was de verliezer en nog een slechte ook. Toen hij zich over het verliezers liep te beklagen, tilde de aanwezigen hem op en legden hem languit neer op het biljart. Uit nijd dronk hij enkele glazen wijn van een ander op, die hem bij zijn kraag vatte en buiten de deur zette. Ook werd er nog bijgezegd dat hij steeds in "ongeoorloofde betrekking zoude hebben gestaan tot achtereenvolgende dienstboden en thans geëngageerd zoude zijn met zijn huishoudster, eene buffetjuffrouw uit een Rotterdamsche herberg". Verder werd Tollens, als hij dronken over straat zwalkte, door de straatjongens nagejouwd.

Gezien deze informatie besloot de Commissaris des Konings Tollens niet meer voor herbenoeming voor te dragen. Er werd een onderzoek naar zijn gedragingen ingesteld en stuurde dhr. A. van der Velde van de provinciale griffie naar Bleiswijk voor een diepgaand onderzoek. Hij sprak hier met Tollens, de twee wethouders, de vier gemeenteraadsleden, Cornelis van der Plas, gemeenteontvanger J. van Mazijk, hoofdonderwijzer Jan Laan, dokter Jan Mensma van Willis, dominee Lantzendorffer, de Zoetermeerse notaris Van de Broek en pastoor Matzer. Naar Moerkapelle ging hij niet meer, hij wist genoeg. De beschuldigen bleken maar al te waar. Iedereen was het er over eens dat Tollens te veel dronk. Het felst was dominee Lantzendorffer, die bepaald niet een goede verstandhouding met Tollens had.  Van achting was bij hem geen sprake, hooguit medelijden. Ook de raadsleden hadden de burgemeester onder de duim. Orde en politie waren er niet. Iedereen deed wat goed was in eigen ogen. Bleiswijk bleek in de verre omtrek bekend te staan als de "Vrije heerlijkheid van Bleiswijk" omdat geen enkele overtreding werd vervolgd of gestraft. Volgens de dominee droegen Tollens' ongelukkige huiselijke omstandigheden hieraan mee. Tenslotte zei Lantzendorffer nog dat Tollens zijn toevlucht zocht bij "Jan Rap", terwijl de meer fatsoenlijke mensen hem meden.

De CdK was nu overtuigd dat Tollens niet kon aanblijven en drong bij hem op aan zelf zijn ontslag te nemen. Dan kreeg hij deze 'eervol' mee, waardoor de schande van oneervol ontslag hem bespaard zou blijven. Zo geschiedde. Zijn opvolger werd P.C. Stoop, burgemeester van Benthuizen. Op hem de schone taak om het gezag van de burgemeester in Bleiswijk te herstellen en orde op zaken te zetten.

NB. Dit artikel betreft een bewerking van een artikel van W. Paul in Verleden Tijdschrift nr. 8 (1992), pag. 42 - 47. Op zijn beurt raadpleegde hij het archief van de CdK in het Algemeen Rijksarchief (nu Nationaal Archief).

ovmb.nl gebruikt cookies om instellingen te onthouden. Wij gebruiken geen cookies ten behoeve van statistieken / tracking diensten. Lees ons privacy beleid.

Ik accepteer cookies voor deze website.

EU Cookie Directive Module Information