No Service Fees - Reds Tickets The Official site of the Yankees Tickets

Zoeken

Font Size

Zoeken/Font

De Burgerwacht in 1836

Vanwege de vele inbraken en diefstallen in en nabij de gemeente werden in 1830 en 1836  in Bleiswijk een buitengewone- of burgernachtwacht opgericht ter beveiliging van de persoonlijke eigendommen. Alle mannen tussen de 18 jaar en 60 jaar werden verplicht 's nachts wacht te lopen. De nachtwacht bestond uit totaal 15 man, onderverdeeld in groepjes van vier, plus de commandant.

Een man hield post in het wachthuisje onder het raadhuis, een ander in huis nr. 16 even buiten het dorp en de derde aan de Hoefweg, ten huizen van de wachthebbende commandeur. De andere helft liepen regelmatig rondes door het dorp. 1. Het was de bedoeling dat het wacht lopen naar het verst afgelegen punt (de Kruisweg) te paard zou worden afgelegd. Maar de boeren hadden hier grote bezwaren tegen, omdat zij dan hun beste paarden dienden af te staan. Dus ging alles te voet. Ongeveer twee of drie nachten ging dit goed totdat er geklaagd werd dat men "te veel moet lopen". Besloten werd de wacht van vier tot zes man uit te breiden, zodat iedereen twee tweemaal naar de Kruisweg liepen en een maal naar de Wolf op de grens met Bergschenhoek. Zij waren gewapend met een piek, aangevuld met een dreg om de draaiingen voor de woningen naar zich toe te kunnen trekken wanneer zij licht of gerucht ontdekten. Aangezien het niet de arme en behoeftige personen waren die bedreigd werden, besloot burgemeester Jacob Isaac van Waning in 1836 alleen de meer vermogenden wacht te laten lopen. In totaal werden 38 mannen aangewezen om wacht te lopen. Van Waning was echter heel goed van bewust niet iedereen naar de zin te kunnen maken en voorzag ook problemen.

FRANCIS TOFIELD

Op 20 december 1836 begaf de toen net benoemde, 21-jarige burgemeester naar het raadhuis om persoonlijk toezicht te houden op de buitengewone nachtwacht. Op dat moment was het Reglement nog niet door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland officieel goedgekeurd. Daar vernam hij van de commandant, Johannes van Mazijk, wagenmaker alhier, dat vier mannen in groepen van twee waren vertrokken, twee naar de Kruisweg en twee naar de Wolf. Na een half uur keerden deze twee mannen die aan de Kruisweg wacht moesten lopen, weer terug. De Kruisweg hadden zij niet gehaald, integendeel, bij de brug bij de korenmolen maakten zij rechtsomkeert. Dezen waren Francis Tofield, leerlooier, en Symon Abraham Elsevier. Het was niet de eerste keer dat zij geen zin hadden verder te gaan, en ook dit keer gaf Tofield te kennen "dat het af te leggen weg te ver was" en, naar hij meende, "geheel strijdig met het bestaande Reglement op de Garnizoensdienst, en dat het Reglement nog niet geldig was". Ook Glintmeijer en Zeger Zwart beriepen zich op de garnizoensdienst, maar zo vroeg Van Waning zich af: "hoe zouden de arbeiders op de gedachte zijn gekomen, zo zij niet door Tofield zelve daar van waren ingelicht geworden?". Dit vermoeden werd bij Van Waning verder versterkt toen ook Gerrit van der Goes, knecht van Tofield, op dezelfde wijze de volgende nacht tegen de nachtwacht verzette. Noodgedwongen moest Van Waning dit laten begaan, omdat hij nog geen officieel reglement had die hij kon laten gelden. Dit tot misnoegen van vele ingezetenen, die meende dat als Tofield en de zijnen niet werden vervolgd, zij ook de kantjes van af konden lopen. Eindelijk werd het Reglement goedgekeurd. Toen het weer de beurt van Tofield was om wacht te lopen meldde Van Mazijk aan Van Waning dat genoemde heren niet meer naar de Kruisweg liepen, maar in plaats daarvan tweemaal de weg naar de Wolf hadden afgelegd. Tofield liet verder weten "dat hij nergens anders aan onderwierp". Reden voor de jonge burgemeester proces-verbaal op te maken aan de burgemeester van Hillegersberg, als waarnemende de zaken van eenvoudige politie bij het Brede geregt in het Kanton Hillegersberg. Tofield kreeg een boete van f 1,--.

Tofield beklaagde in een brief bij de Gouverneur van Zuid-Holland over de door de burgemeester partijdige en onrechtvaardige uitvoering van het Reglement op de Buitengewone Nachtwacht. Daarin beklaagde hij zich dat hij thans "gedegradeerd" voelde, omdat hij in 1830 commandant was van de toenmalige burgerwacht en nu slechts waker. Maar wierp van Waning daar tegen in, hij had ook iemand anders in zijn plaats kunnen laten stellen. Inderdaad was het in 1836 op de dag drie kwartier lopen naar de Kruisweg terwijl men  's nachts in het donker (er waren toen nog geen lantaarnpalen) en de slechte weg zeker een uur lopen was. Verder klaagde Tofield over zijn slechte gezondheid als gevolg van twee of drie uur lopen in de open lucht, in de herfst en winter. Van Waning merkte op dat men bij een regenbui van een half uur even nat wordt als bij een bui van twee uur. Bovendien had het in de nacht toen Tofield wacht liep niet eens geregend. De twee volgende nachten, de "beide kerstnachten", stormde het hevig zodat Van Waning zijn mannen spaarde door hen er niet op uit te sturen.

 

Het beroep van Tofield op de klapwaker (de nachtwaker)vond van Waning ongerijmd. Deze man was verplicht iedere nacht om het half uur zijn klap of ratel te laten horen, waardoor het voor hem niet mogelijk was de gehele gemeente rond te gaan. Doorgaans liep deze tot de grens van de brandschouwerij (de bebouwde kom), en dan was hij drie kwartier op de weg.

 

Verder beweerde Tofield dat alleen land- en huiseigenaren deel uitmaken van de burgerwacht. Van Waning: "waaruit hij deze onwaarheid geput heeft, bevat ik niet". Er waren in de toenmalige gemeente Bleiswijk slechts tien boeren die eigen grond bezaten, terwijl de burgerwacht uit 38 man bestond. Bovendien konden sommige eigenaren behoeftig worden genoemd, of ouder dan 60 jaar. En beweerde Tofield, wantrouwde Van Waning "de mindere klasse". Voor Van Waning helemaal een raadsel waar hij dit vandaan heeft. Dat de mindere klasse geen wacht hoeven te lopen was dat zij geen goederen hadden die beschermd dienden te worden. Bovendien mochten zij tegen een vergoeding (remplacement) in de plaats van de betere gesitueerden wacht lopen.

Er waren nog meer verwijten aan het adres van Van Waning die hij allemaal weerlegde: dat afgekeurden voor de Nationale Militie of Schutterij gedwongen zouden worden tot de burgerwacht (zoals schoenmaker Jan van Gelderen), en dat de "ruimgegoeden" juist weer waren vrijgesteld (zoals schoolmeester Fredrik Lakeman senior en de schilder Klaas Tol, beiden echter boven de 60), en dat de commandanten, waartoe ook Van Waning behoorde,  hun mannen dwongen "om hard te lopen". Hoe het ook zij, in ieder geval was deze regel bedoeld om te voorkomen dat de mannen hun in de herbergen en kroegen doorbrachten, wat ook inderdaad was gebeurd. (Bleken ze drie uur weg te zijn gebleven...). Misbruik van deze regeling is volgens Van Waning uitgesloten omdat hij de commandanten persoonlijk had uitgekozen "uit de weldenkenste burgers, die ik daartoe te goed ken".

Het geheel overziende veronderstelde Van Waning dat Tofield uit rancune handelde omdat hij in 1836 geen commandant was en hij Van Waning te jong en te onervaren vond. (Van Waning was in 1836 21 jaar, Tofield toen 27 jaar - geboren in 1809). De burgemeester achtte hier "geen andere reden dan onwil (...) hetwelk bovendien uit de ongerijmde vergelijking van garnizoensdienst met een buitengewone nachtwacht genoeg blijkbaar is". Elsevier wilde wel  verder gaan, maar moest noodgedwongen met Tofield terug keren. Het werd hem niet aangerekend dat hij niet alleen verder wilde gaan. Tofield werd niet alleen schuldig bevonden aan plichtsverzuim, maar ook aan die van Elsevier. Bovendien wees Jacob Isaac er nog op dat Tofield ook bij zijn vader Jacob "nimmer enige ongelegenheid heeft doen voorbijgaan om zich tegen hem te verzetten ... waardoor hij ... bij de gehele gemeente in een zeer ongunstig daglicht bekend staat".

1.      AGB 1811-1948, inv.nr. 1433.

2.      idem inv.nr. 1431, betreffende het proces-verbaal.

3.      idem uitgaande brievenboek, inv.nr. 143, briefnr. 17 van 1837. Ook  bleek dat Francis Tofield, een zoon van Francis Tofield sr., wonend in Ouderkerk, en Johanna Elisabeth Cortvrindt, zich hevig verzette  tegen de hoogte van zijn schatting op zijn woonhuis en daardoor te veel belasting dacht meende te gaan betalen. Jacob van Waning gaf aan dat de broers Francis- en Hendrik Tofield ieder een eigen huis aan de Dorpsstraat bezaten, "waarvan het eene het aanzienlijkste der gemeente is".

ovmb.nl gebruikt cookies om instellingen te onthouden. Wij gebruiken geen cookies ten behoeve van statistieken / tracking diensten. Lees ons privacy beleid.

Ik accepteer cookies voor deze website.

EU Cookie Directive Module Information