2017-18 season offers for home Bruins Tickets. The National Hockey League - official Penguins Tickets. Your official marketplace to buy Blackhawks Tickets with 100% buyer guarantee. No Service Fees - Reds Tickets The Official site of the Yankees Tickets

Zoeken

Font Size

Zoeken/Font

Jannetje van Vliet alias Hilletje van Spengen (1841)

In de loop van de eerste helft van de 19e eeuw werd bedelarij bij wet verboden. Om de bedelaars toch een bestaan te verschaffen werden in Oost-Nederland kolonies opgericht waarin de bedelaars geleerd/opgevoed werden tot een verantwoord zelfstandig bestaan. Ook enkele Bleiswijkers kwamen in kolonies als Veenhuizen en Ommeschans terecht. Op 9 mei 1841 belandde een zekere Jannetje van Vliet uit Bleiswijk in Ommeschans.

En dan rees meteen de vraag welke gemeente verantwoordelijk was voor de opnamekosten van Jannetje. In het algemeen gold dat de geboorte-gemeente van betrokkene voor de kosten diende op te draaien. Maar dat dit niet altijd even simpel was bleek in het geval van Jannetje van Vliet. Zij gaf op dat zij op 14 januari 1817 in Bleiswijk werd geboren, gedoopt in wat toen de Gereformeerde Kerk heette (de huidige Hervormde Gemeente) en dat zij op 13-jarige leeftijd Bleiswijk verliet om bij Dirk van Dam, een "zoute visboer" in Hillegersberg de kost te verdienen, daarna een jaar lang als boerendienstmeid in "het gehucht" Schiebroek werkzaam, vervolgens hetzelfde van 1832-1834 in Schieveen, en vandaar naar Rotterdam waarbij zij bij een zekere Wenneker in de Grote Draaisteeg twee jaar in de kost was (later kwam daar ook nog een zekere Mulder bij, kleermakersbaas in de Kleine Kipstraat, en daarna nog bij "enige groenvrouwen en onderscheidene andere lieden"). In 1839 belandde Jannetje in het gasthuis (ziekenhuis) waar dhr. Lonk de geneesheer was, bijgestaan door twee verpleegkundigen ("oppassers"), beiden luisterend naar de naam Ka (van Catharina). Jannetje had daarna blijkbaar geen inkomsten meer, ging bedelen, werd gearresteerd en afgevoerd naar Ommeschans. Jannetje gaf aan de directeur op dat zij een dochter was van Cornelis van Vliet en Jannetje Borsje, beiden in 1841 al overleden. De moeder overleed toen Jannetje 13 jaar was. Aanvankelijk werd dit verhaal dan ook geloofd. Maar toen bleek Jannetje niets van haar oom Leendert van Vliet af te weten. Wel gaf zij vlot en overtuigend nadere details op van haar jonge jaren in Bleiswijk. Zij wiedde en rooide de aardappelen bij de volgende boeren: Cornelis van Leeuwen, Cornelis (of Kees) Klapwijk, Daniel Kraan en Uitdenbogaard. (Later wist zij te vertellen dat zij ook nog bij Breugem heeft gewerkt, die acht kinderen had en "een eindje buiten het dorp woonde"). Ook gaf zij te kennen het huisgezin van de toenmalige burgemeester Jacob van Waning goed te kennen en wist zelfs de namen van de kinderen op te noemen: Jacob Isaac (in 1841 burgemeester van Bleiswijk), Willem, Cato, Antje en Mietje. Haar vader Cornelis woonde eerst in een arbeidershuisje schuin tegenover het gemeentehuis, waar de buren resp. Cornelis Dekker, rietdekker, en Stoffel van Heumen, schoenmaker, waren. Later verhuisde het gezin naar een huisje nabij de brug "tussen Bleiswijk en de Kruisweg", vlakbij een wagenmaker. Daar stierf haar moeder in het kraambed aan een "borstkwaal en aan het water". Zij was onder behandeling bij dokter Johannes Geyl. Haar vader hertrouwde met de baker, nadat zij enige tijd "als huishoudster heeft geleefd". Jannetje verbleef in Bleiswijk ook nog enige tijd bij Koos van den Berg, arbeider, in de Kerkstraat. Sinds haar vertrek naar Schiebroek, wist zij van haar vader geen verdere bijzonderheden meer op te noemen, alleen dat hij bij de burgemeester als tuinman werkte. Uit al deze nauwkeurige gegevens, die Jannetje ook vlot wist op te noemen, trok de directeur de conclusie dat zij inderdaad een Bleiswijkse was en kon gemakkelijk "in Bleiswijk nagetrokken worden of zij de waarheid sprak".

Onderwijl deed de burgemeester ook onderzoek naar de ware identiteit van Jannetje van Vliet. De registers van de burgerlijke stand en de doopregisters van de Hervormde Kerk gaven hierover geen uitsluitsel. Maar in de overlijdensregister bleek dat Jannetje Borsje, gestorven 20 april 1829, de echtgenote was van Cornelis van Spengen terwijl Cornelis van Vliet op 29 april 1839 was gestorven. Hij was gehuwd met Hilletje de Jong, die in 1843 nog in leven was. Zij was slechts twee jaar getrouwd geweest met Cornelis van Vliet (die 38 jaar werd) en zijn eerste echtgenote.

Om nog meer zekerheid te krijgen over de ware identiteit van Jannetje van Vliet werd zij weer naar Rotterdam teruggebracht, waar zij verder werd ondervraagd waaruit bleek dat zij sinds 1837 meerdere malen "in dat gesticht" was geweest onder de naam Hilletje van Spengen. Na enig aandringen bekende zij inderdaad Hilletje van Spengen te heten, geboren 11 januari 1817, van beroep dienstbode. Toen kwam haar echte levensloop aan het licht. Haar vader was Cornelis van Spengen, haar moeder Jannetje Borsje. In Bleiswijk ging Hilletje school op het schooltje aan de Kerkstraat bij meester Lakeman. In 1843 leefde haar vader nog, maar door een val was hij niet meer in staat om te werken. Van de armmeesters (diakenen) van de Gereformeerde Gemeente (Hervormde Gemeente) kreeg hij een hondenkar met vier honden bespannen, waarmee hij in Rotterdam goederen insloeg voor de winkeliers. Voor Hilletjes vertrek uit Bleiswijk in 1834 werd Van Spengen door het gemeentebestuur belast met de bezorging en verzending van brieven naar het postkantoor in Rotterdam. Daarnaast was hij "nog nering doende in snoeperij, prenten enz. over het raadhuis te Bleiswijk". Al met al had hij hiermee een redelijk bestaan. De moeder overleed in 1834 waarna haar vader hertrouwde met Gerritje Meyer of Harreveld, voormalig huishoudster van haar vader, waarna dit echtpaar nog vier kinderen kreeg. De reden dat Hilletje een valse naam opgaf was dat zij haar vader de schande wilde besparen van haar opzending als bedelares naar Ommeschans. Later in 1843 ging Cornelis van Spengen naar het bedelaarsdepot in Rotterdam alwaar hij zijn dochter, sinds zij is gaan zwerven, voor het eerst weer terugzag.

Toen ontstond de discussie welke gemeente nu verantwoordelijk was voor haar verblijf in Ommeschans en van haar verblijf in het bedelaarsdepot te Rotterdam, Bleiswijk of Rotterdam. Nu bleek dat Hilletje zeven jaar in Rotterdam had gewoond maakte Rotterdam grote kans voor de kosten op te draaien. Er ontstond een uitgebreide correspondentie hierover. Uiteindelijk legde burgemeester Jacob Isaac van Waning deze zaak voor aan de Gouverneur van Zuid-Holland die concludeerde dat Bleiswijk voor haar verblijf in Ommeschans diende te betalen, maar er bleek ook enig jurisprudentie te bestaan in de vorm van Koninklijke Besluiten (KB's)die uitgingen van het beginsel dat opname van bedelaars gelijk stond met de opname van verpleging in een gasthuis, zodat Rotterdam zowel voor de verpleegkosten in het gasthuis als voor Hilletjes verblijf in het bedelaarsdepot opdraaide.

1. Bron: AGB 1811-1948, inv.nr. 2185.

ovmb.nl gebruikt cookies om instellingen te onthouden. Wij gebruiken geen cookies ten behoeve van statistieken / tracking diensten. Lees ons privacy beleid.

Ik accepteer cookies voor deze website.

EU Cookie Directive Module Information